Herinneringen aan een Missionaris

Door Jean Mordant (eerder verschenen in het Vaalser Weekblad)

Enkele jaren geleden werd in het laatste uitbreidingsplan nabij de Hopschet een straat genoemd naar onze dorpsgenoot Pater Willy Gelissen, die op jeugdige leeftijd overleed in het hoge noorden van Canada, waar hij in augustus 1953 was aangekomen, om daar temidden van de Eskimo's als missionaris te werken. Zijn confrater daar Pater Kees Verspeek, evenals Pater Gelissen behorenden tot de congregatie van de Oblaten van Maria, heeft in een brief aan de familie van de plotseling gestorven missionaris verhaald, wat er toen gebeurd is. Deze brief is onder meer gepubliceerd in het toenmalige Weekblad van Nederiand, De Linie d.d. 23 oktober 1954.

Dit weekblad leidt de publicatie als volgt in: "Pinksteren 1954 geschiedde een klein, eenzaam drama op centrale post aan de Poolcirkel. Het bericht kostte nauwelijks enkele regels in een provinciale krant, maar het is vele regels waard, indien men zich realiseert, dat ver van ons vandaan een landgenoot stierf in de kracht van zijn leven en zijn roeping, nog voordat hij ook maar een ziel had kunnen redden".

Ter orientatie hoog in het noorden van Labrador, op een schiereiland tussen Hudson Straat en Hudson Baai, ligt de residentie Sugluk, waar de twee Nederlandse Oblaten als missionarissen werkten

Communicatie met de missiepost verliep zeer moeizaam en met mondjesmaat omdat slechts enkele keren per jaar een schip aanlegde om bestelde goederen en de post af te leveren. Wel was er elke dag radiocontact. Met zo'n radiocontact, waarin het overlijden van Pater Willy's vader wordt geineld, begint het verslag van Pater Kees Verspeek, die we hier verder aan het woord laten.

"Iedere avond hebben we per radio rond half 10 contact met onze andere staties. Ik was op 16 maart het eerst op luisterpost, omdat Willy naar gewoonte, eerst de kapel klaarmaakte voor de Mis van de volgende dag. Reeds aanstonds kwam Pater Ostan, die te Fort Chimo verblijft, met een oproep voor Sugluk. Hij zei meteen dat er een bericht van Monseigneur was, bestemd voor P. Gelissen. Daar ons huisje maar heel klein is. en in de winter de kapeldeur 's avonds open blijft omdat het er anders te koud is, kon Willy de oproep van Pater Ostan horen. Hij kwam direct naar de keuken waar de radio staat. Ik vroeg P. Ostan, bet bericht door te geven en zei dat we hem goed konden verstaan. Nu kunt u wel begrijpen, dat het voor de Pater geen plezierige opdracht was zulk nieuws via de radio mee te moeten delen.

Hij zei dus dat hij contact gchad had met de bissehop te Blanc-Sablon en vroeg of Pater Gelissen wist dat zijn vader zick was. Willy wilde zelf de micro niet nemen en ik antwoordde dus in zijn plaats dat dit het eerste nieus was. P. Ostan kwam terug en voegde er aan toe, dat hij heel ernstig ziek moet zijn. Persoonlijk had ik toen al een duidelijk voorgevoel van wat er ging volgen. Helaas dat was ook zo. Het was een heel pijniijk ogenblik. Nadat ik hem mijn innigste deelneming had betuigd, en hij enkele woorden op een blad paper geschreven had om die voor u aan P. Ostan door te seinen, ging hij terug naar de kapel om te bidden. De andere staties hadden allen dit droevig nieuws gehoord en allen om ter eerst boden hun sympathie voor Pater Willy. Natuurlijk hebben we daarna nog samen gepraat. Het grote vraagteken voor hem hoe zijn vader nu overleden kon zijn, hij, die nooit ziek geweest was. Verder sprak hij er niet veel meer over, maar ik kon merken dat hij er nog lang onder leed. Onnodig te zegggen, dat er veel voor vaders zielerrust gebeden werd door ons beiden, en telkens als we gelegenheid hadden, werd er een Requimmis opgedragen.

Pater Verspeek: "U weet wel dat heel de Suglukse bevolking nog zg. protestant is, maar toch was er een grote opkomst de Mis te volgen, die door Willy opgedragen werd en waarbij ik zelf, noodgedwongen organist, zang misdienaar en ceremoniemeester moest zijn. We deden het zo plechtig mogelijk, maar met de heel bepekte te middelen van het Noorden. Later werd er nu en dan nog wel over vader gesproken en ik kon voelen Willy met angst uitzag naar meer bijzonderheden.

Op 22 maart kregen we post die tot Port Harisson per vliegtuig gekomen was en verder de honderden mijlen per hondenslede naar Sugluk. Dat is steeds een hele gebeurtenis, maar voor Willy betekende het dit maal nog meer, met de hoop, iets te vernemen. 's Avonds nog werden de postzakken omgekeerd en verdeeld en ik kon goed merken hoe bij de distributie Willy steeds uitkeek naar brieven van thuis. Het was na middemacht, voor het voornaamste doorgewerkt was en toen zei Willy - waar ik allang op gewacht - dat er geen nadere bijzonderheden waren en bij de verzending thuis alles nog goed was-. Hij voelde zich een beetje teleurgesteld, maar hoopte op de volgende brieven van de zomer. En "dat" heeft hij dan niet meer mee mogen maken.

April en mei gingen voorbij met het mooie lenteweer, zoals we dat hier in het Noorden kennen, afgewisseld met hevige stormen, Pasen, Hemelvaart, plechtigheden in ons klein kapelletje. De meimaand stond natuurlijk in het teken van Onze Lieve Vrouw, vooral in dit Mariajaar. Daar Willy zich met de kapel belast, had hij er iets heel moois van gemaakt en het Madonnabeeidje mooi versierd. Iedere avond werd een speciaal Marialied gezongen met de Eskimo's en we hadden beiden maar een hoop, dat onze Hemelmoeder in haar grote jaar ook eens iets speciaal zou doen voor de missie van Sugluk die haar is toegewijd. De meimaand was besloten en de junimaand geopend met iedere avond een gezang ter ere van het Heilig Hart.

Op vrijdag 4 juni deden we samen, als naar gewoonte op de eerste Vrijdagen, onze maandelijkse retraite, wat bestaat in een dag van stilte en gebed. Het was deze keer tegelijk voorbereiding op het feest van Pinksteren. De kapel kreeg een goede beurt en het altaar werd versierd. Als bijzonderheid moet ik hier aan aan toevoegen, dat we de gewoonte hadden ieder op zijn beurt een week kok te zijn. Nu moest Willy juist beginnen op Pinksteren en hij wilde er iets bijzonders van maken, temeer daar we op voorhand besloten hadden, onze geburen die dag voor het souper uit te nodigen. We hadden het er die zaterdag toevallig over, dat ik altijd geluk had en hij niet, want telkens als wij de buren inviteerden - wat slechts eenmaal gebeurde in de winter en dat alleen bij speciale gelegenheden - dan was Willy in functie wat ten andere aan de eer van onze keuken ten goede kwam. Hij was immers op dat gebied stukken beter dan ik.

Die Pinksterzaterdagmiddag was hij in volle bedrijvigheid, als een echte banketbakker. Hij wilde hiermee ook tijd winnen voor de Zondag, omdat er dan niet veel meer overschiet.

Pinkstermorgen deed hij de Mis en ik gaf een korte uitleg voor de aanwezige Eskimo's. Voor het weinige wat er van de voormiddag nog overschoot was hij de keukenpiet, terwijl ik zelf mijn tijd nodig had om een onderricht in het Eskimoos voor te bereiden, voor de namiddagdienst. Naar gewoonte was er 's namidag’s veel volk, want dan wordt er gekaart en allerlei spelen ingericht, waarbij prijzen te winnen zijn.

Het was die dag mooi weer en Pater Willy trok met het kleine volkje naar buiten, want hij hield zich liefst met de kleintjes bezig. Om half vijf werd het vermaak gestopt en ging de kapeldeur open voor het lof met onderrichting. Bij zo'n gelegenheid is ons kerkje steeds te klein. Daarna bleef er niet veel tijd meer over en moest er met man en macht gezorgd worden,voor het Pinkstersouper dat volgens Canadese gewoonte rond zes uur plaats heeft. Onze gasten kwamen aan en er werd zonder verwijl toegetast. De buurman had voor de gelegenheid nog een paar flessen bier meegebracht, zodat het geheel 'af' was. We waren juist in het seizoen der wilde ganzen en Willy kon die beestjes prima klaar maken. Het was een heel gezellige avond en het werd middernacht voor de geburen met welgemeende dank aan het adres van de kok na huis gingen.

Pinkstermaandag hadden we maar besloten, het Zondagreglement te nemen. In de week stonden we gewoonlijk om tien na zes op, maar vanwege de korte nacht werd dit een uurtje later. In de voormiddag als naar gewoonte, deed ieder zijn bureauwerk en na het middageten nam Pater Willy zijn groot geweer waar hij zo fier op was en dat hij verleden jaar met de laatste boot ontvangen had. Hij was gewoon in de middag een wandeling te maken en nu ging hij met zijn geweer het ijs op in de hoop, ergens een zeehond te kunnen schieten. Hoewel hij zonder buit thuis kwam, hadden we toch een flink stuk zeehondenvlees dat een Eskimo intussen bracht.

Hij had eigenlijk nog een wilde gans willen braden maar kreeg daar geen gelegenheid voor, omdat onze oude Eskimomeid bezig was met broodbakken. De oven van de kachel was dus niet vrij. Hij maakte dus een portie zeehondenvlees klaar. waar hij een 1iefbebber van was. Met wat restantjes van de vorige dag hadden we ook die avond dus een flink maal".

Dinsdag 8 juni. Waarom of waardoor, ik weet het hiet niet, maar ineens schiet ik wakker. Eerste beweging: Hoe laat is het? Ik kijk op de wekker en zie dat het bijna half zeven is. Dus de wekker weer niet gehoord. lk richt me een beetje op om te zien of Willy al op is. Het gebeurde immers wel dat ik de wekker niet hoorde, en dat hij dan opstond en naar beneden ging, Hij had de gewoonte, zich 's morgens te scheren. Hij had dus meer tijd nodig dan ik. Vreemd, dat hij nu ook nog sliep. Ik nam mijn wekker, denkende dat die misschien niet afgelopen was, maar de veer was ontspannen. lk draaide hem weer op en liet hem bellen maar geen beweging in Willy. Ik stond op niaar kon zijn oezicht niet zien, want hij lag met zijn rug naar me toe. Het was onmogelijk dat hij het niet gehoord had, want dat was nog nooit gebeurd. Dus.... een grap. Dan zou ik maar verder spelen. Ik nam toen de grote, oude wekker. die op ons tafeltje stond. wond die goed op en draaide de wekkerwijzer tot hii afliep met een hels lawaai: lk ging naar Willy's bed. en hield het ding vlak boven zijn hoofd. Niets verroerde. Hij bleef bewegingsloos liggen. Toen wist ik zelf niet meer of ik aan een grap moest denken. Ik kon zijn gelaat niet zien. want hij lag naar de muur. Het hoofd een beetje naar beneden gebogen. Daar zijn bed niet helemaal tegen de muur stond liep ik om het hoofdeinde. en zonder nedenken nam ik zijn hand die een beetje boven de dekens uitkwam. De gewaarwording van dat ogenblik zal ik mijn levenlang niet vergeten. 0 die koude hand! Tegelijkertijd had ik me gebogen om zijn gezicht te bekijken en ik zag toen die dieprode kleur. Wat ik op dat ogenblik gedaan heb weet ik niet goed meer, maar ik meen dat ik een gil gegeven heb. Mijn verschrikking en droefheid waren veel groter dan die kleine besloten ruimte kon bevatten. en ik vloog naar beneden. Ik wilde niet langer alleen blijven met dit verschrikkelijke nieuws. Bij het naar beneden komen hadden we de gewoonte even te knielen voor de open kapeldeur.

Hier wilde ik het drama eerst vertellen. Maar Onze Lieve Heer wist eerder en beter wat er gebeurd was. Hii had hem tot Zich geroepen, terwijl ik rustig sliep. Het viel me bitter hard om in die eerste ogenblikken het FIAT te zeggen.... Daarna vloog ik naar de telefoon die ik vorig jaar had aangelegd naar de buren. en draaide zo hard ik kon. want die moesten nog slapen. Het duurde een tijdje voordat ik gehoor kreeg. De knecht kwam met een verschrikt "hello". Het was moeilijk dit droevige nieuws in een paar woorden uit te drukken. Ik vroeg hem zo vlug mogelijk zijn baas te roepen. Daar stond ik toen, radeloos, alsof ik een kwaade droom gehad had . Was ik wel goed wakker? Om me te overtuigen ging ik terug naar boven en voelde met mijn hand zijn rug. Zijn lichaam was nog warm, en zonder aarzelen vloog ik weer naar de kapel, nam de Heilige Olie en een stola, en diende het Oliesel toe, met korte formule en onder voorwaarde. Dat was het enige wat ook nog kon doen. Toen ik beneden kwam, arriveerden de buren. Ze vroegen met veel. Ik kon ook niet meer spreken. alleen hen uitnodigen naar boven te gaan en zelf te zien. Ook zij stonden als aan de grond genageld. Het was immers zo ongewoon en onverwacht. Er moest nu iets gedaan worden. De baas ging aanstonds naar de Eskimo's om hulp, terwijl de knecht bij mij bleef. Er viel niet veel te spreken. want het was immers al zo moeilijk om het in gedachten te realiseren. Het duurde niet lang of de Eskimo's kwamen, allen even verbaasd over dit tragische nieuws. Ik zal de buurrnan mijn leven lang dankbaar blijven voor de hulp. die hij mij toen betoond heeft. Zelf was ik te erg overstuur. Hij beredderde alles en het duurde niet lang, geholpen door enkele Eskimo's, bracht hij het lijk van onze dierbare Willy naar beneden. Ik kon het niet aanzien en bleef in de keuken. Ze legden hem op cen paar banken in de zaal en toen ik ging kijken. zag ik dat er bloed uit zijn mond vloeide. Heel Zijn aangezicht was rood. Een Eskomivrouw nam op zich, hem te wassen. en de buurman bleef er bij om eventueel iets naders te kunnen vaststellen. Daarop bracht ik de toog en ook de priesterlijke gewaden, die hem aangedaan werden. Toen moest ik er wel weer bijkomen om te zeggen, hoe alles gedaan moest worden, want alle aanwezigen, de geburen inbegrepen, waren protestant. Ik was nu zowat over mijn eerste angst heen en ben op zoek gegaan naar een rozenkrans. Deze heb ik om de gevouwen handen gedaan en tussen de vingers het zwarte houten kruisje geplaatst, zoals onze Heilige Regel dat voorschrijft. Ze hebben hem dan in de kapel gelegd en ik ben toen gaan versieren zo goed ik kon.

De buurman is nog een tijdje gebleven en bood al zijn diensten aan. Voor de maaltijden moest ik maar overkomen, enz. Toen diende er gewerkt te worden. De kist moest gemaakt en een graf gedolven worden. Dat zijn twee problemen in het noorden. Eerst op zoek naar hout. want ik hield eraan iets fatsoenlijks met onze primitieve middelen te maken. En hier nog een droevige bijzonderheid: Toen Pater Willy verleden jaar met de gouvernementsboot aankwam, had hij de kapitein wat mooi hout gevraagd om een paar meubeltjes in elkaar te knutselen. De kapitein had hem goed bedeeld met enkele mooie, lange eikenplanken. Hij was er erg mee in zijn schik, en had ze mooi opgeborgen. Gedurende de hele winter was er niets van het meubelmaken gekomen, omdat de tiid zo vlug gaat en er zoveel te doen is in de korle dagen. De rest kunt u wet raden. Maar zeker had de kapitein en ook Willy niet gedacht, dat dit mooie meubel een laatste bed zou worden. Het was het enig geschikte hout, dat ik kon vinden. Samen met de Eskimo’s hebben we het zo goed mogelijk gemaakt. Intussen moest ook het graf gedolven worden.

Pater Verspeek vervolgt zijn relaas aldus: " Toen Monseigneur verleden jaar te Sugluk was had hij me al gezegd dat ik voor een kerkhof moest zorgen. We hadden samen eens rond gekeken en een geschikte plaats uitgekozen. Een beetje hoger gelegen en niet te ver van de missie. lk moest dan maar voor de rest zorgen. Maar daar was het bij gebleven. lk vond dat er helemaal geen haast bij was. Niets liet vermoeden. dat er ook maar een Eskimo van Sugluk zich in de nabije toekomst zou bekeren. Overigens hebben zij hun eigen kerkhof: een beetje verder.

De komst van Pater Witty was me toen door Monsceigneur wet toegezegd. maar hij was nog niet gearriveerd. Zo stond ik nu dus ineens voor het feit. Ik belastte enkele Eskimo's met het graven terwijl ik in huis met de kist bezig zou zijn. Maar het duurde niet lang of ze kwamen terug, met de boodschap. dat het op die plaats onmogeiijk was. Nu zeggen Eskimo's nogal vlug dat iets onmogeljk is. Ik ging dus zelf kijken. Ze hadden nog geen halve meter gegraven en daar kwamen ze op een kleilaag, die steenhard bevroren was. Er was geen denken aan om hier op treffelijke diepte te komen. Toen zijn we gaan proberen links rechts, dichter, verder steeds, met hetzelfde gevolg. Er waren er al. die zeiden dat de enigste mogelijke plaats "hun" kerkhof was. Want daar alleen was zand. Maar daar kon ik niet toe besluiten. Vooral omdat er voorschrifien te volgen zijn.

Intussen was het al avond geworden en er moest toch iets gedaan worden. Het was die dag betrekkelijk warm. De volgende dag echter niet meer. Er moest haast gemaakt worden. lk gaf dus opdracht. op een zanderige plaats maar verder te werken met alle middelen.

Het is een zwaar werk geworden. want met kleine stukjes moesten we die steenharde grond met een lange beitel (die voor het ijs gebruikt wordt) loskappen. 's Anderendaags in de avond waren we er eindelijk mee klaar. hoewel het dieper had kunnen zijn. In de namiddag hebben we toen de dierbare overledene in de kist gelegd en nadat we samen met de Eskimo's nog eens zoals de avond tevoren het avondgebed en nog een heel speciaal gebed gedaan hadden. waarbij heel volk aanwezig was, werd de kist gesloten en kondigde ik aan dat ‘s anderendaags (donderdag 10 juni 1954 om 9 uur de begratfenis zou plaats hebben.

Die ochtend waren de Eskimo's aanwezig, evenals onze buren van de Hudson Bay.

Alhoewel Sugluk rijk bevolkt is, was er toch maar weinig volk. In de lente verhuist haast het hele kamp naar het zomerkamp dat gelegen is aan de ingang van de baai. Slechts vijf van de zeven of achtentwintig tenten blijven hier bij de missie. Verscheidene sleden waren t6ch overgekomen maar dat maakt slechts een klein gedeelte van de bevolking uit. Alles wat die dag hier in ons kamp was, was aanwezig in de kapel of er buiten aan de deur. Zelf heb ik dat verschrikkelijk erg gevonden dat die dienst wegens de omstandigheden zo eenvoudig en arm moest zijn. Terwijl we voor vader tenminste nog een gezongen Mis hadden kunnen doen moest het nu voor hemzelf met een gewone gelezen dienst gebeuren. Wel had ik het voornemen gemaakt tenminste een gedeelte van de absoute te zingen, maar ook dat heb ik niet kunnen doen uit vrees dat ik er niet door zou geraken.

Na de Mis, die zelfs door de protestantse buren aandachtig gevolgd werd is de kist door zes Eskimo's gedragen naar het kerkhof. Och. het rnoest allemaal zo eenvoudig en primitief gaan. Wat was dat toch janimer.

Tegen alle hoop in had ik nog verwacht dat er een Pater vanuit Ivuyivik had kunnen komen. maar waarlijk het was onmogelijk. De condities waren te slecht. De meeste sneeuw gesmolten en de rivieren begonnen al te lopen. Onwillekeurig moest ik denken aan al die mooie diensten. die zouden worden gedaan in de kloosters van Oost-Canada en Nederland en niet het minst in de kerk van uw schone Limburgse dorpje.

Ik stond hier als enigste priester. Ja als enigste katholiek bij het open graf. Allen waren ingetogen en sti1. maar wat moesten zij denken van die ceremonies en gebeden die ik deed, die de meesten voor het eerst zagen en waar zij natuurlijk niets van begrepen? Ik vond het hard en toen we op het einde samen drie weesgegroetjes in het Eskimoos baden.werd het tijd dat alles voorbij was. lk kon het niet langer uithouden en moest de rest aan de Eskimo's overlaten. Heel die dag heb ik hier verloren gelopen. Voordat Willy kwam, was ik al twee jaar alleen te Sugluk. maar nooit had ik me eenzaam gevoeld als deze dag. In zulke omstandigheden zou men wel eens verlangen - hoe hard dit ook moge klinken - om "Eskimo" te zijn en hun mentaliteit te kunnen overnemen.

Het is nu twee maanden geleden dat wij Willy ter aarde bestelden. Sindsdien werd er rond het graf een kerkhofje gemaakt, een groot wit kruis geplant, geschoffeld en geharkt. Als priester en missionaris van Sugluk rust Willy in het midden aan de voet van het grote kruis. Nu wacht ik op een grafsteen, die in de beschaafde wereld gemaakt moet worden met de nodige opschriften, maar ik weet nog met wanneer die zal aankomen. We zitten hier zover van alles af. De eerste boot is reeds voorbij en trekt nu verder het noorden in. Binnen enkele dagen verwachten we een andere, die rechtstreeks naar Port Churchill gaat, en van daaruit brieven kan versturen. Met de eerste boot kreeg ik bezoek van Pater Mongeau. Ik weet niet of die naam U bekend is. Hij is de rechterhand van Monseigneur en de zaakgelastigde voor het Vicariaat. lk heb op zijn bezoek gewacht om te weten. wat er met Willy's persoonlijke dingen moest gebeuren. We hebben alles samen nagekeken. Er stonden nog verschillende koffers in het magazijn. Het missiehuisje van Sugluk was veel te klein, om Willy's persoonlijke zaken te bergen. Pater Mongeau heeft verscheidene dingen meegenomen die u dierbaar kunnen zijn. Deze zal hij dus opsturen. Het moest allemaal heel vlug gaan, omdat de boot niet tang wachtte. Er is natuurlijk nog veel hier, en mocht u later belangstelling hebben voor het een of ander, laat het gerust weten. Ik zal mijn best doen het te versturen. Deze brief zou ik graag per luchtpost zenden. opdat u dit nieuws zo vlug mogelijk zoudt ontvangen, maar gezien de talrijke bladzijden zou hij te zwaar worden om er nog foto's bij te doen. U moogt erop vertrouwen dat u er nog zult ontvangen. Ik hoop dat het een en ander u een kleine troost moge wezen in het zware verlies dat u andermaal treft. Het trof me toch zo erg, toen ik nu met de boot de post ontving. De eerste brief die ik uit de postzak haalde, U zult het misschien raden- de zwartomlijnde doodsbrief die voor Willy de officiele bevestiging moest zijn voor vaders overlijden.Mijn gedachten hebben de laatste tijden telkens weer opnieuw geschommeld tussendeze twee denkbeelden.

Wat kan O.L. Heer toch soms Hard slaan- en toch, blijft het waar, dat Hij zijn beste vrienden eerst met kruisjes en kruisen bezoekt.' Bij het horen van het nieuws velen uwer waarschijnlijk gedacht 'Dat is nu een leven, dat afgeknakt werd op het ogenblik dat het volle vrucht zou gaan afwerpen. Toch is het zeker dat Willy nu beter kan helpen dan ooit tevoren en hij nu voor honderd procent, missionaris is voor Supluk.

Om te eindigen wil ik nog enkele nabeschouwingen geven. Uw eerste vraag zat wel geweest zijn: "Waaraan is hij gestorven?" Deze vraag kan ik nog niet met zekerheid beantwoorden. Er was een dokter aan boord van de boot en ik heb hem alle inlichtingen gegeven die ik maar geven kon. Toch kon hij niet uitmaken welke de de oorzaak was. Was het bloedaandrang? Een ader gesprongen in de longen? Een neus- of keelbloeding die verstikking tot gevolg had? Ik heb nooit bemerkt dat Willy lijdend was. Alleen weet ik, dat hij dikwijls uit de neus bloedde, last had van zijn keel en veel vlees at. Ik heb hem wel eens in het voorbijgaan gezegd, dat dit niet goed kon zijn. In de winter had hij het eerder te koud dan te warm, terwijl hij de laatste tijd het tegenovergestelde liet blijken en het gauw te benauwd vond in huis, vooral in keuken. die nogal klein is. Voor de rest heeft hij zelf nergens over geklaagd. Zoals ik hem 's morgens in zijn bed vond wees alles erop dat hij waarlijk al slapende gestorven was Er was niets verwrongen in zijn houding of in zijn gelaatsuitdrukking. Daarom juist schrok ik er zo erg van bij de ontdekking dat zijn hand koud was. Hiermee wil ik nu beslist eindigen.

Ik heb nog iets vergeten. Ik was ermee begonnen, maar ben de draad kwijt geraakt. Met de boot had ik dus post ontvangen. Daar Willy's correspondentie heef wat uitgebreider was dan de mijne - ik heb de naam een slechte schrijver te zijn', maar dat komt meest door omstandigheden - was het grootste gedeette aan hem geadresseerd. Ik wist waarlijk niet wat ik er mee moest aanvangen. Ik heb gewacht tot Pater Mongeau kwam en die heeft me gezegd alles wat persoonlijk was naar Montreal te sturen. Daar zullen ze er verder wel voor zorgen. Nochtans mag ik hier in Willy's plaats allen bedanken die geschreven hebben. Al die tijdschrfiten die hij ontving - en er ware er vele- keken we altijd samen door. Volgens Pater Mongeau moest ik dat alles maar hier houden. Ik dank u dus allen hartelijk. Ook geldt dit natuurlijk voor de twee pakjes, die erbij waren. De brieven die ik er in vond, worden ook naar Montreal verstuurd. Laat ik er even bijzeggen, dat er van het pakje vet, dat in de doos van de familie zat, alleen maar het papiertje is aangekomen. Het heeft de vier maanden lange (en waarschijnliik warme) reis niet kunnen overleven. Voor Willy zou het ook jammer geweest zijn, want de brief was hierdoor voor de helft blauw geworden. De fles heeft de proef beter doorstaan. Hoewel de stop gebarsten was had zij als bij wonder niet gelekt. Voor dit alles dus in Willy’s plaats de hartelijkste dank.

Ik mag u voortaan toch wel als mijn familie beschouwen? Weest niet bang zonder veel complimenten te schrijven. Ik weet van Willy, dat zijn moeder - ik zal haar voortaan tante noemen- beter in het Duits schrijft. Ik denk. er nog wel genoeg van te kennen om het te verstaan. Het voornaamste is dat er een band bestaat tussen uw dorp en Sugluk en dat er van hieruit veel gebeden werd en nog zal worden. Mag ik u dan ook een gebedje vragen voor hem. die alleen achterblijft, opdat het offer van Willy hem tot sterkte mogen wezen en voor onze dierbare Eskimo’s de genade van bekering mogen verkrijgen?

Aan u allen die nu mijn nichten en neven zijt, maar voor u tante nogmaals mijn innig meeleven in het dubbele offer dat gevraagd werd. Houdt goede moed, want wanneer God grote wonden slaat dan weet Hij ook te zalven.

Met de allerbste groeten uit sugluk: Uw Kees Verspeek.

P.S. Juist voor deze brief vertrek, wil ik even melden dat er een Eskimokindje geboren isin het kamp. Ik vroeg ze naar de naam en ze antwoordden: "Het is een Willy. Moge dit voor u allen ook wezen wat het voor mij is, een troost.

Enkele bijzonderheden.

Hier volgen nog enkele bijzonderheden waarzonder het verhaal nict compleet zou zijn. Pater Gelissen was lid van de Congregatie van de Missionarissen van de Oblaten van Maria. Deze congregatie werd in 1840 gesticht in Aix-en-Provence in Zuid-Frankrijk door Mgr. Eugène de Mazenod, bisschop van Marseille, die op 3 december 1995 door Paus Johannes Paulus II heilig werd verklaard, De Mazenod stamde af van een adellijke famitie, die bij het uitbreken van de Franse Revolutie (1789) naar Italië uitweek maar later terugkeerde naar Frankriik waar de ionge de Mazenod vervolgens in Parijs afstudeerde en tot priester werd gewijd. Hij ging in zijn geboortestreek werken in de zielzorg en werd uiteindeiijk dus bisschop van Marseille. Zijn congregatie verspreidde zich tenslotte over de gehele wereld na aanvankelijk met de rnissioneringsarbeid in Zuid-Afrika, Sri Lanka (vroeger Ceylon) en Canada te zijn begonnen. De congregatie telt nog rond de 5000 leden en heeft in Nederland vestigingen in Valkenburg nabij Ravensbos, in Cuijk (N-B) en in Santpoort (N-H).

Over het missiegebied waar Pater Willy Gelissen werkzaam was, in het hoge noorden van Canada, kregen we ook van Mevr.Louise Vanwersch uit de St. Martinusstraat een aantal gegevens, die vermeld stonden in het toenmalige weekblad Credo van het bisdom Roermond van 11 juli 1954.

Paus Pius XI zei eens duidend op de congregatie: "De Oblaten zijn specialisten in de rnoeilijkste missies". Aansluitend geeft het artikel een nadere beschnjving van het Canadese gebied. "Van de 11 missiegebieden, die Canada telt ziin er 8 aan de Oblaten toevertrouwd. In eindeloze ijsvelden hebben zij er de zorg over 100.000 lndianen en Eskimo's en over blanken van de rneest uiteenlopende nationaliteit.

Slechts 3 maanden per jaar geeft de zon er zo'n warmte, dat er enige plantengroei mogelijk is. De gemiddelde temperatuur is ongeveer 45 graden onder nul, maar daalt ook wet soms tot 70 a 80 graden onder nul. Geen wonder dat in zo'n gebied de natuurlijke levensmiddelen erg schaars zijn, zodat de bevolking over grote afstand verspreid woont om zodoende nog enigszins in haar levensonderhoud te kunnen voorzien. Bovenstaande notities hadden we neergeschreven toen we geconfronteerd werden met de hardheid van deze missie: de plotselinge dood van een jonge missionaris. 't Bericht dat we daarover mochten ontvangen nemen we graag voor U over: "Omtrent 't overliiden van Pater Gelissen hebben wij juist gisteravond bericht ontvangen met nadere details. Pater Gelissen was Missionaris bii de Eskimo's van Librador. Hij was op de missiepost Sugluk. In de nacht van 8 juni is hij plotseling overleden. Omdat er in dat gedeelte van de ijsvelden geen doktoren zijn, heeft men de doodsoorzaak niet kunnen vaststellen, hoewel de verschijnselen op een beroerte of hartverlamming wijzen. Hij was in 't geheel niet ziek geweest.

Pater Gelissen was in 1949 priester gewijd en vertrok in 1950 naar Labrador. Hij werkte er slechts vier jaar waarvan 1 jaar in Sugluk.

Hij is afkomstig uit Vijlen bij Vaals waar hij in 1921 geboren werd. Verleden jaar ontmoette ik in Canada zijn bisschop, die me vertelde. dat hij een van de ijverigste missionarissen was van zijn Vicariaat en bij de Eskimo bevolking zeer geliefd. Jammer genoeg heeft de overleden Missonaris niet 't geluk mogen kennen van een bekering. Bij de groep Eskimo's. waaronder hij werkte, is nog geen enkele gedoopte".

De eindeloosheid dezer Noordelijke missiegebieden spreekt rnisschien iets meer tot onze verbeelding als we weten dat 't apostolische vicariaal waar de overledene werkte meer dan 43 maal groter is dan ons land en een bevolking telt van rond 12.000 zielen.

Enige jaren geleden werkten er, behalve de apostolische vicaris, tien paters Obtaten en drie broeders, die werkten vanuit 5 hoofdposten en 22 nederzettingen. Het landschapsbeeld is woest, de rivieren grillig en met grote stroomvernellingen. dat 't verkeer moeilijk is en uiterst primitief zal geen nadere aanduiding behoeven.

Het missiewerk staat nog in 't eerste beginstadium en is uiterst arm, terwijl de rond 2000 Eskimo's de missie niet gunstig gezind zijn. In bovengenoemd bericht lazen we dat de Eskimo's de overledene wel gunstig gezind waren. Had deze blije en vitale missionaris een eerste kentering weten te bewerkstelligen?

Een onzer, die daarheen ging namens ons, werd weggenomen. Waarom? Op deze vraag past slechts een antwoord: een acte van geloof in de onnaspeurlijkheid van Gods liefdevolle raadsbesluiten.

Onze vraag om een memento voor Pater Gelissen en voor zijn Eskimo's moge royaal beantwoord worden.

Stoffelijke resten Pater Willy herbetraven i.v.m. uitbreiding nederzetting. (Een verslag van pater Albert Cimon o.m.i.)

Op 14 augustus zijn we om 10 uur begonnen met de nodige werkzaamheden om het graf van Pater Willy Gelissen te lichten. Hij overleed 8 juni 1954 en werd buiten het dorp en buiten de Inuk-begraafplaats begraven. In verband met de uitbreiding, van het dorp SUgluk heeft de woningbouwmaatschappij uit Quebec stappen ondernomen om toestemming te verkrijgen voor het overplaatsen van de stoffelijke resten.

Op 14 augustus was ik aanwezig bij de opgraving in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van de burgemeester en van de anglikaanse priester. Eerst werd het grote witte kruis verwijderd en het grafmonument Daarna werd met een laadschop de aarde weggehaald en de witte rotsstenen die een kring vormen en de begrenzing zijn van de plaats waar Witty Gelissen rust.

In de voormiddag werd het werk onderbroken voor de lunchpauze van de arbeiders. De vertegenwoordiger van de burgemeester stond erop dat het werk zo snel mogelijk zou worden voortgezet, aangezien de Inuit er op aan gedrongen hadden de geest van hun vriend, Pater Willy, zo weinig mogelijk te verstoren.

Om 13 uur werden de werkzaamheden hervat. De laadschop bereikte de permafrostlaag, die moeilijk te vewijderen is. Om de kist niet te beschadigen ging men verder met spades.

Om 15.30 uur stuitten we op de kist waavan de deksel deels was vergaan. Het lichaam van de pater wordt zichtbaar. Het rust in de permafrostlaag en is niet vergaan. Zijn hoofd is wat naar links gevallen en hij is gekleed in misgewaden. Het onderste deel van zijn lichaam is in een zwarte doek gewikkeld. De bouwonderneming heeft gezorgd voor een provisorische kist waar Pater Gelissen in wordt gelegd.

Op dat moment komen de Inuit aan. Ze willen hun vriend Pater Willy begeleiden naar het kerkhof van hun gemeenschap. Ik neem het grote koperen kruis dat op de kist was vastgemaakt en leg het op het deksel van de provisorische kist.

Er vormt zich een stille, ingetogen stoet die zich naar de oostkant van het dorp begeeft om er de stoffelijke resten van Pater Witty te herbegraven. Een jonge missionaris van 33 jaar die zich in zo kort tijd bemind heeft weten te maken. Hij rust nu temidden van zijn Inuit zusters en broeders.

Enkele mensen gaan voor in gebed in verschillende talen: engels, frans en inuktitut. We zijn ons ervan bewust dat we getuige zijn van een rnooie en ontroerende gebeurtenis.

Na de ceremonie is het de gewoonte elkaar de hand te reiken. Daarna verzamelt men rotsstenen waarmee men cen cirkel vormt om de plaats aan te duiden waar het lichaam rust. Bij het hoofdeinde wordt een monument geplaatst.

De Inuit vragen waarom ik het kruis op het graf plaats en niet erin. Ik zeg hen dat Pater Witty het kleine kruisje van zijn rozenkrans vastgespeld aan zijn kazuifel bij zich heeft en dat het onze gewoonte is een kruis op het graf te plaatsen.

God zij dank verloopt alles in goede harmonie, zoals onze dierbare Pater Gelissen het gewild zou hebben. 18 augustus 1989.

In gesprek met Pater Kees Verspeek.

Omdat ik ter elfder ure Pater Kees Verspeek O.M.I., de confrater, die het plotselinge overlijden van Pater Willy Gelissen van nabij meemaakte, heb kunnen opzoeken in het Oblatenklooster van Kessel-Lo (Korbeek-Lo nabij Leuven). Ik mocht kennis maken met een zeer vitale man, naar wiens verhalen je uren kunt luisteren. Hier zijn levensverhaal.

Kees Verspeek werd op 29 april 1914 in Vlaardingen geboren maar in 1921 verhuisde het gezin naar Neerpelt (Belgisch Limburg), waar hij het Bisschoppelijk College bezocht. Vervolgens studeerde hij aan de Apostolische School in Waregem, volgde het novicitaat (proefjaar) bij de Paters Oblaten in Nieuwenhoven en deed zijn hogere studies te Velaines bij Doornik (West Vlaanderen).

Op 2 juli 1939 werd hij door de Canadese Oblaat Kardinaal Villeneuve tot priester gewijd. Mede door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog kon zijn hartewens om naar de missie uitgezonden worden niet in vervulling gaan. Zo kwam het dat hij als priester bij de zielzorg aan het thuisfront betrokken werd. Dat bleef zo tot het einde van de jaren veertig. Men wilde hem namelijk niet aan de missie kwijt raken. In die mening kwam verandering in 1948 toen bij hem een hartkwaal geconstateerd werd. Hij werd minder onmisbaar.

Bleef het probleem dat de provinciale overste, de hoogste gezagsdrager van een aantal kloosters van de congregatie, verzameld tot een eenheid die een provincie genoemd wordt, hem verboden had. nog langer te praten, zeg maar te zeuren, over uitgezonden worden naar de missie.

Toevallig kreeg Pater Verspeek in datzelfde jaar 1948 gelegenheid om met een Belgische bedevaart mee naar Fatima te gaan. "Als ik dan niet meer mag spreken over naar de missie uitgezonden worden, welaan, het zij zo! Maar denken erover en bidden om uitgezonden te worden, dat kan niemand mij verbieden." En zie, op 1 april 1949 kwam als een donderslag bij heldere hemel de benoeming af van het generalaat in Rome om onder de Eskimo's in Labrador te gaan werken. "lk dacht eerst nog aan een 1 april-grap", aldus Pater Verspeek, maar in november van datzelfde jaar arriveerde hij bij blanke vissers aan de St. Lawrence Golf. Na een jaar acclimatiseren vertrok hij op 1 juni 1950 naar de missiepost Sugluk, een Eskimo nederzetting en tegelijk een handelspost, gelegen aan de Hudsonbaai.

Zoals we reeds uit de loop van het verhaal weten waren de bewoners Anglicaans, zij het meer oppervlakkig dan diepgelovig. Pater Verspeek vatte zijn taak meer oecumenisch op en ging uit van het principe: laten we er in de eerste plaats christenen van maken. Natuurlijk liep hij niet de hele dag rond met een groot kruis in zijn hand. Veeleer besteedde hij met name veel aandacht aan de gezondheidszorg. Niets was hem daarbij vreemd. Hij trok evenzogoed kiezen als hij baby's ter wereld hielp en nooit is er bij een van die vele bevallingen icts misgegaan". "Maar u had toch geen medische opleiding gehad? zo drong zich de vraag op.

"Nee, datt niet, maar al smedende wordt men smid. Maar ik heb ook nachten gestudeert. Ik was namelijk goed gedocumenteerd en ik heb met name veel steun van de Memisa gehad. (Medische Missie Actie).

In 1953 krijgt hij dan hulp van Pater Willy Gelissen maar helaas komt deze nog geen jaar later plotseling te overlijden.

In 1956 keert hij voor het eerst terug naar België waar hij de gouden bruiloft van zijn ouders viert.

Op 7 januari 1957 krijgt hij dan de jobstijding dat de met veel moeite gerenoveerde missiepost tot de grond toe is afgebrand. Hij keert dait jaar terug en kan opnieuw beginnen. In 1960 sterft zijn jonge confrater van de dichtsbijzijnde missiepost 180 km. verderop. Anndermaal een zwaar verlies voor hem. Hij blijft in Susgluk werken tot 1975, wordt dan weer overgeplaatst naar de St. Lawrence Golf, vervolgens naar Churchill aan de Hudson Baai, waar hij pastoor wordt van de kathedrale kerk. Na 44 jaren missiearbeid keert hij tenslotte terug, naar België, waar hij nog steeds in parochies assisteert. Nog eenmaal keert hij terug naar Sugluk, nu Salluit geheten. Dit in 1996 op uitnodiging van de KRO, die ter plaatse een reportage maakt en deze later ook heeft uitgezonden. evenals de BRT. Hij wordt welkom geheten door burgemeester Willy, die vlak na de dood van Pater Willy geboren werd en naar hem genoemd is. Deze zegt onder meer: "ik zou er niets, op tegen hebben als de katholieke missie zou terugkeren."

Pater Verspeek. nu Canadees staatsburger en ereburger van Salluit beschikt over vele prachtige dia’s en is bereid in Vijlen een voordracht te houden over zijn leven in het hoge noorden van Canada. Plaats en tijd zal u tijdig bekend gemaakt worden een tijdstip na de nu komende carnaval (2000?). Deze presentatie heeft inderdaad plaatsgevonden in Vijlen en was voor velen interessant.

Voor meer informaties over de paters Oblaten van het klooster Ravensbos bij Valkenburg de volgende websiteadressen: http://members.chello.nl/pm.bijpost/Ravensbos/index.html en http://www.ravensbos.nl Contactadres: Willem Reijnders Lekerwaard 56 1824 HD Alkmaar 072-5645608 reijnd@bio.vu.nl